Ervaringsgericht onderwijs

Schema krachtlijnen

  1. Praatronde
  2. Projectwerk
  3. Contractwerk
  4. Instructiemomenten
  5. Klasdoorbrekend werken
  6. En nog veel meer
  7. Ouderparticipatie
  8. Bosklassen
  9. Jaarthema

 

De basis van ons systeem is de praatronde. Daarin vertellen kinderen wat hen bezig houdt. De leerkracht pikt in op wat er in de groep leeft. De leerkracht beperkt zich niet tot een luisterend oor, maar neemt actief deel.

Uit die praatronde groeit heel wat, ondermeer onze projecten. Er zijn verschillende soorten projecten. In de kleuterschool groeien sommige besproken onderwerpen uit tot een groepsproject. Naarmate de kinderen ouder worden groeit ook de kans op individuele en partnerprojecten

Niet alles kan in het projectonderwijs of in de praatronde aan bod komen. Onderdelen die een systematische opbouw vereisen, worden in contractwerk gestoken. Er is dan een combinatie van korte instructiemomenten en inoefenmogelijkheden die in contractvorm worden aangeboden.  Kinderen vorderen dan in eigen tempo en krijgen gedifferentieerde hulp.

Het systeem van "contractjes" begint al bij de jongste kleuters. Zij engageren zich om een bepaald taak uit te voeren en moeten daarbij ook leren volhouden. Het systeem wordt jaar na jaar verder uitgebouwd via dagcontracten uitmondend in weekcontracten. 

Onze manier van werken is gelijkaardig bij de jongste kleuters als in de hoogste jaren van de lagere school. We vinden deze “verticale samenhang” uiterst belangrijk. Uiteraard verschilt de invulling van een praatronde of contract, maar de manier van werken is gelijkaardig bij alle teamleden. 

Onze leerkrachten werken ook heel vaak samen, zij kennen geen “eilandcultuur”. Het samenwerken gebeurt niet alleen tussen vb. kleuterjuffen of parallel-leerkrachten, maar is ook “klasoverschrijdend”. Onze atelierwerking is daar een mooi voorbeeld van. Voor sommige onderdelen (vb. spelling) verlaten wij geregeld ook de klassieke jaarklasindeling.

1. Praatronde

De praatronde bij het begin van elke schooldag is de basis van de Freinetwerking. Een praatronde is niet zomaar een “wakker-wordenmoment” of een koffieklets. Het is naast de groepsvorming ook een techniek om als leerkracht te weten komt wat er leeft bij de kinderen. Het is het ideale moment om projecten of onderzoekswerkjes op te starten of om opdrachten en leerinhouden aan te bieden.

Daarvoor is interactie en actieve participatie van de leerkracht nodig. Door gericht vragen te stellen, door de methodiek van de vrije associatie, door in te spelen op wat gezegd wordt en mee te sturen (bvb. door gerichte opdrachten te geven) bekom je iets helemaal anders dan een gezellige babbel. 

Het is dus per definitie een “actief” moment, een moment van ervaringsgericht en interactief leren. Bij klein en groot zit de praatronde vol met kansen om taal te exploreren. Dat gaat van taalverwerving bij de kleuters, over bvb. letterherkenning in het eerste leerjaar, tot het gebruik van spreekwoorden of toepassen van spellingsregels in de hogere graden.

Daarnaast mag je de impact van de taalonderdelen “praten en luisteren” niet onderschatten. Daarvoor is ook weer een “actief luisteren” van leerkracht en leerlingen nodig.

Het is het moment bij uitstek waarop “projecten” kunnen ontstaan. Wanneer kinderen aangeven dat iets hen bezig houdt, is dat het ideale moment om daar een project rond op te starten. Dat kan, maar hoeft geen, klasproject te zijn. Meestal mondt het uit in een onderzoekswerk waar kinderen individueel of in kleine groep, kort of iets langer, mee aan de slag gaan. Dagelijks zijn er veel mogelijkheden om het gesprek “interessant” te laten worden.

Door de actieve participatie van de kinderen en van de leerkracht, worden er allerlei “weetjes” genoteerd. Het is de kracht van de leerkracht om die kansen op te merken, daar op in te spelen en alert te zijn voor signalen. De leerkracht die zich beperkt tot “hmm, hmm”, “mooi zo!”, “heeft iemand vragen?”, mist kansen. De vrije associatie in combinatie met het beheersen van leerplannen en eindtermen maakt van hem/haar meer dan een “begeleider”.

Actief vragen stellen, peilen naar het waarom, zorgen voor verwondering bij kinderen. Die verwondering kan dan leiden tot weetjes, onderzoekjes of projecten. Met die spontane inbreng van kinderen aan de slag gaan is de “métier”, de kunst van onze leerkrachten.

Een voorbeeld:

Een kind uit de tweede graad vertelt dat zijn mama de hele dag haar T-shirt binnenste buiten gedragen heeft en dat ze dat pas ’s avonds opgemerkt heeft. Een ervaren leerkracht zal zich niet beperken tot een opmerking dat dit wel een gek zicht moet geweest zijn, of naar de vraag wat andere kinderen er van vinden. Je kan met dit simpel verhaal op verschillende manieren de verwondering opwekken. De vraag: “Hoe kan je dat zien dat iets binnenste buiten gedraaid is?” leidt uiteindelijk tot een onderzoekswerk over wat de betekenis van al die gekke tekens zijn op de labels binnenin een T-shirt. Er volgt ook een “weetje” over wat er gebeurt als je wol te warm wast, er wordt gesproken over waar het katoen vandaan komt, over de zijderups, over de slavernij. Peilen naar bvb. de kostprijs van een T-shirt kon aanleiding zijn voor een rekenverhaal. Het spreekwoord “het hemd is nader dan de rok” is dan weer een taal-gegeven. “Shirt” en “label” geven dan weer aanknopingspunten naar het Engels enz.

In die zin is een praatronde een continue dooreenlopen van talige, rekenkundige, filosofische en sociale elementen, waarbij “wereldoriëntatie” als vak het vaakst aan bod komt. Belangrijk voor de leerkracht is om die dingen constant te noteren.

Omdat die praatrondes zo belangrijk zijn, dringen we er bij de ouders op aan om zeker niet te laat te komen op school. De praatronde is dan ook de basis voor vele andere activiteiten van de dag.

Een speciale praatronde is de klassenraad. Meestal is die gepland op het einde van de week. Kinderen bespreken dan problemen van die week en doen voorstellen of geven elkaar een pluim.

2. Projectwerk

Projectonderwijs hangt voor ons essentieel vast met de vertrekbasis: interesse van het kind of praatronde. Nog vaak denken mensen dat een project gelijk staat aan het zoeken van iets wat je interesseert, daar vraagjes over stellen en de antwoorden op internet opzoeken”. Dat is een karikatuur van het projectwerk. Projecten die vertrekken vanuit een handboek of vanuit een (al dan niet jaarlijks terugkomende) interesse van de leerkracht benoemen wij liever als “thematisch onderwijs”.

2.1. Onderzoekswerk

Het voorbeeld hierboven maakt al duidelijk dat de basis voor het grootste deel van het projectwerk in de praatronde ligt. “La part du maître” is daar een essentieel onderdeel van en dat op elk niveau. Een kleuterleid(st)er is er op getraind om vragen en verwondering te ontlokken op niveau van kleuters.

Als een kind naar zee is geweest kan deze “vertelling” door een attente begeleidster omgebouwd worden naar gesprekken over zandheuvels, zout in de zee enz. Ook bij kleuters is de praatronde meer dan “zijn verhaal kwijt kunnen”. Het is ook hier een proces van vertellen, luisteren, inpikken, doorgaan, verwonderen.

Uit die praatrondes ontstaan dus talrijke onderzoekswerkjes. Die kunnen verschillende vormen aannemen.

Zo heb je in de lagere school de Z.O.’s (zelf gekozen opdrachten). Dat zijn kleine vraagstellingen die uit de praatronde komen en die thuis of in de klas worden opgezocht (bvb. “wat zijn de tien langste rivieren op de wereld?”).

Eens het kind klaar is met zijn Z.O., presenteert hij die ook aan de groep. Bij de presentatie trainen we ook weer de onderdelen “praten en luisteren” van onze taaleindtermen. Vaak wordt er van de Z.O. een samenvatting gemaakt. Die wordt uitgedeeld aan alle andere kinderen. Niet alle besproken onderwerpen geven aanleiding tot een onderzoek of een Z.O.

De “weetjes” zijn een verzameling van interessante kennisgegevens die in de praatronde aan bod zijn gekomen. Uit het voorbeeld hierboven zou men als “weetjes” bvb. kunnen halen: - Wol wordt koud gewassen anders krimpt het - Katoen komt van de katoenplant - Zijde komt van de zijderups - Uit Senegal zijn vele slaven naar de V.S. vervoerd. (Je moet Senegal op de wereldkaart kunnen aanduiden) Het proces “van zijderups tot zijde” zou dan weer een Z.O. kunnen zijn. De verzameling van de samenvattingen van de Z.O.’s én de weetjes kan stof zijn voor studie of een overhoring.

Ze vormen als het ware onze handboeken. Het is de verantwoordelijkheid van de leerkracht om te zorgen dat Z.O’s en weetjes het hele gamma van wat de eindtermen vooropstellen, bevat. Daarvoor zijn er intern afspraken gemaakt rond screening van het ganse projectwerk, inclusief ook de klasprojecten en P.W.’s (zie hieronder).

2.2. Klasprojecten

Bij kleuters ervaren we gemakkelijker dat de ganse groep zich rond één thema schaart. Op dat moment is de tijd rijp om een “klasproject” te starten. We gaan dan samen, meestal zo’n drietal weken, één onderwerp verder uitdiepen. Op basis van wat de kinderen rond dat project meebrengen en vertellen, bezoeken die de juf plant, externen die iets komen vertellen in de klas enz. groeit het project.

Het verhaal van onze kleuter hierboven zou bvb. kunnen leiden tot een project “zand”. Daarbij is het voldoende dat een kleuter een foto over een woestijn meebrengt om het project een andere wending te geven. Maar in zand(grond) worden ook asperges gekweekt. De juf kan dan beslissen om asperges te proeven, er soep mee te maken enz.

Ook hier weer geldt dat de juf de verantwoordelijkheid heeft om elementen, aangebracht door de kinderen, samen te brengen met eigen interessante onderwerpen om zo uiteindelijk alle domeinen van de ontwikkelingsdoelen aan bod te laten komen. Het gebruik van de vrije associatie is bij hen even belangrijk als bij de lagere schoolleerkrachten.

Klasprojecten bij onze oudste kinderen verlopen meestal iets anders. Zij worden via een stemming “gekozen” door de kinderen. Onderwerpen kunnen uit de praatronde komen of kunnen op het moment van de stemming aangebracht worden. Klasprojecten in de lagere school duren meestal ook veel langer dan bij de kleuters. Ook hier is het belangrijk om de klasgrenzen te doorbreken. Er worden uitstappen gepland, specialisten kunnen naar de klas komen, er wordt dieper op een onderwerp ingegaan ...  Alle klasprojecten eindigen met een projectvoorstelling voor de ouders.

2.3. Persoonlijke werkstukken (P.W.)

Tot slot kennen we in de lagere school ook nog de zogenaamde Persoonlijke Werkstukken of PW’s. Kinderen kiezen dan, los van enig voorgaande gebeurtenis, een onderwerp waarover ze dingen gaan opzoeken. Zij maken daar een schriftelijke verslag van, meestal in boekvorm. Het proces lezen – samenvatten – schrijven is daar belangrijk bij. Eens het werkstuk voleindigd, wordt het aan de medeleerlingen voorgesteld.

Deze vorm van werken vraagt op zijn minst enige structurering. Vooreerst moeten we ervoor zorgen dat kinderen niet bij bepaalde onderwerpen blijven hangen. Altijd werkstukjes maken over dieren bvb. kan niet. Dan loop je met oogkleppen op voor andere WO-domeinen. Anderzijds zijn sommige onderwerpen te eng om er een ernstig werkstuk rond te maken. Het onderwerp zebra kan dan bvb. “de hoefachtigen” worden.

Kinderen enkel op het internet loslaten of teveel vrijheid geven kan leiden tot onverantwoord knip- en plakwerk. De taak van de leerkracht bestaat erin dat proces goed te begeleiden. Het eindproduct moet altijd een verzorgd werkstuk zijn dat een evenwichtige combinatie inhoudt van “verwerkte” informatie en creatieve vormgeving.

3. Contractwerk

Niet alle leerstof kan je terug vinden in de praatrondes of het projectwerk. Voor meer gestructureerde leerstof (bvb. wiskunde en taalbeschouwing) doen we naast het onderzoekswerk ook beroep op contractwerk.

De zelfsturing van de kinderen is voor ons een essentieel onderdeel van het contractwerk. Contractwerk blijft niet beperkt tot de “moetjes” en de “magjes” .

3.1. Hoekenwerk

Bij de kleuters valt contractwerk vaak samen met hoekenwerk.

Een ervaren leerkracht zal zich laten inspireren door de praatronde en de projecten om de hoeken uit te bouwen. Dat vraagt veel “inspelen op het moment zelf”, maar geeft een enorme dynamiek in de werking. Daarnaast kunnen er ook vaste hoeken zijn. Dat zijn hoeken (vb. de bouwhoek) die altijd tot de keuzemogelijkheden behoren. Kleuters kiezen na de praatronde in welke hoek ze gaan werken. Eens zij die keuze gemaakt hebben moeten ze hun opdracht ook volbrengen. Dat vraagt soms volharding, iets wat men in contracttijd in de lagere school ook zal moeten aan de dag leggen.

Hoekenwerk biedt de juf een ideale gelegenheid om kinderen te observeren. Hoekenwerk wordt sporadisch ook in de lagere school gebruikt, maar wordt zelden nog zo benoemd. Men spreekt dan eerder van “vrije werktijd”. Het kan ook een alternatief zijn om bepaalde onderdelen die in de projecten niet aan bod zijn gekomen via een doorschuifsysteem een plaatsje te geven.

3.2. Contracttijd

Bij de kleuters wordt de term “contractjes” stilaan geïntroduceerd. Het zijn dan taken, binnen het hoekenwerk, die een iets meer verplicht karakter hebben.

Kinderen krijgen een tijdslimiet opgelegd waarbinnen het contractje moet beëindigd zijn (vb. voor de speeltijd moet dit af zijn). Zelfsturing is hierbij belangrijk. In de lagere school is het contractwerk zowat de opvolger van het hoekenwerk. Differentiatie staat hierbij voorop. Alle oefeningen deelt men op in drie niveaus. Kinderen beslissen zelf met welk werk zij beginnen, maar moeten binnen de afgesproken tijd (dat kan gaan van dag- tot weekcontracten) hun oefeningen gemaakt en verbeterd hebben. Hier is niet alleen sprake van training van kennis maar ook van het aanleren van (werk)attitudes. De leerkracht is er op dat moment om individuele hulp te bieden.

4. Instructiemomenten

Om de contracten te kunnen maken moet er soms nieuwe leerstof aangereikt worden. De leerkracht gebruikt daarvoor haar instructiemomenten. Dat zijn “echte lesjes”.

Blijkt dat een groep kinderen de les niet goed heeft opgenomen, dan doet we beroep op de mini-klasjes. De les wordt dan herhaald voor deze groep kinderen. Het grootste deel van de verwerking van de leerstof gebeurt wel via de contracten. Binnen contracttijd is er ruimte om met kinderen individueel een denkproces te herhalen en op die manier in te oefenen.

Door het feit dat wij met graadklassen werken, heeft de helft van de groep tijdens die instructiemomenten een andere (soms zelf gekozen) taak. Die wordt dan in stilte uitgevoerd omdat de leerkracht les moet kunnen geven.

5. Klasdoorbrekend werken

5.1. Niveaulezen en niveauspelling

Niveaulezen en niveauspelling zijn ondersteunende initiatieven. Ze geven een rugdekking voor onderdelen die per toeval minder aan bod zouden zijn gekomen.

Bij niveaulezen wordt er wekelijks een klein uurtje in kleine groepjes gelezen. Daarvoor doen we beroep op heel wat ouders, die vanuit de zorgcoördinator een gerichte opdracht meekrijgen. Bij niveaulezen staat het leesplezier voorop.

Bij niveauspelling werken we per week twee keer twintig minuten intensief met spellingskaarten. De kinderen vanaf het tweede leerjaar worden dan in groepen opgedeeld volgens hun kunnen op vlak van foutloos schrijven. We werken met 15 groepen, in principe drie per leerjaar. We merken op dat de spreiding over de verschillende leerjaren zeer groot is. Kinderen die zeer taalgevoelig zijn, zijn vlugger klaar met de 15 niveaus. Zij worden dan hulpjuf/hulpmeester bij de laagste niveaus, of krijgen andere (meestal sociaal gerichte) opdrachten.

5.2. Open ateliers

Een zestal keer per jaar organiseren we open ateliers. Daarin bieden leerkrachten en ouders een muzisch (of technologisch) atelier aan, rond een door de leerkrachten afgesproken thema. Kinderen kiezen volgens hun voorkeur zonder dat ze weten wie het atelier geeft. Hierdoor krijgen we een mix van alle leerjaren.

Het is het klasdoorbrekend moment bij uitstek.

Kleuters hebben vaker open ateliermomenten. Enerzijds doen zij mee met de thema’s van de lagere school, maar anderzijds doen zij ook vaak wisselmomenten. Een deel van de kinderen gaat dan naar een andere kleuterjuf. De jongsten komen dan op bezoek bij de oudsten, en omgekeerd. Er is bij ons dus helemaal geen sprake van een “eilandcultuur”.

Een voorbeeld van een thema bij de open ateliers was “kunst in Europa”:

We vertrokken telkens vanuit een bepaald land, gingen op zoek naar bijhorende kunstenaars en iedere begeleider (inclusief meewerkende ouders) lieten zich door deze kunstenaar inspireren om er een atelier rond op te zetten. Hierbij zorgen we ervoor dat alle muzische domeinen bespeeld worden: beeld, dans, muziek, drama… Alle resultaten werden tentoongesteld op onze opendeurdag, waar ook enkele ateliers hernomen werden.

5.3 Divers

Onze oudste kinderen hebben een peter- en meterschap met de jongste kleuters. Zij dragen er zorg voor, gaan er om beurten, ’s middags samen mee eten, bouwen er een persoonlijke band mee op. Geregeld worden er gezamenlijke activiteiten (vb. uitstapje naar de bib of gaan zwemmen) opgezet. Ook tussen de oudste kleuters en het eerste leerjaar zijn er in het tweede deel van het schooljaar uitwisselmomenten.

De villaraad kinderen is een maandelijks gebeuren waarbij vertegenwoordigers van iedere klas samen komen om grieven en voorstellen van de kinderen te bespreken. Dat gaat bv. over speelplaatsafspraken of ideeën op schoolniveau.

Zo is een actie rond de aardbeving in Haïti vanuit de villaraad kinderen gegroeid. Het forum is het moment waarop in de kleuterschool de klassen aan elkaar dingen presenteren. In de lagere school gebeuren dergelijke presentaties occasioneel, meestal naar aanleiding van een projectvoorstelling.

6. En nog veel meer

Uiteraard valt er nog veel meer te vertellen over onze manier van werken. Op het gevaar af om of te detaillistisch of te onvolledig over te komen verwijzen we hiervoor naar het woordenboek (PDF, 300 kB).

Sommige van deze termen zijn eigen aan de werkvormen in iedere Freinetschool (vrije tekst, natuurlijk lezen…). Andere hebben te maken met het feit dat we in de 21-ste eeuw binnen het Vlaams onderwijslandschap leven (ICT, bosklassen, bewegingsopvoeding…).

In het schooljaar 2009-2010 heeft het team een jaar lang gewerkt rond “le retour à Freinet”. We hebben daar de oorspronkelijke teksten van Celestin Freinet herbekeken in het licht van de 21-ste eeuw en afgetoetst aan evoluties zowel binnen de Freinetwereld (o.a. la pédagogie de l’ écoute van Nicola Go) als buiten de Freinetwereld (systeemdenken, sociale psychologie…).

Het is de samenvoeging van dit alles dat van Villa Zonnebloem een unieke school maakt die met haar eigen accenten zichzelf met recht en rede een Freinetschool noemt. De kern van onze werking is overeind gebleven. Naast de nodige kennisverwerving om de eindtermen te halen richten wij ons op het afleveren van zelfstandige, mondige, creatieve en sociaal vaardige kinderen. Met deze bagage hopen wij al onze kinderen, welke ook hun capaciteiten zijn, klaar te hebben gestoomd om hun volgende levensfase: de puberteit.

7. Ouderparticipatie

Het is een misvatting dat ouderparticipatie een term van Celestin Freinet is. Het is een term die eerder in de jaren ’80 toegevoegd is geworden aan het Freinetdenken.

Dat neemt niet weg dat ouderparticipatie ook in onze school zeer belangrijk is. Villa Zonnebloem is een open school. De deuren staan altijd open voor ouders om projecten mee te ondersteunen, om mee te werken op allerlei vlakken, om binnen te springen om zorgen mee te delen. We vragen niet liever dan een actieve betrokkenheid bij het klas- en schoolgebeuren. Lees meer in de rubriek Ouderparticipatie.

8. Bosklassen

Vanaf de oudste kleuters gaan onze kinderen op “bosklassen”. Wij zien dat als een ideaal moment om kinderen enerzijds meer zelfstandigheid aan te leren en anderzijds om hen in een andere context te kunnen evalueren.

De oudste kleuters gaan twee nachten op bosklassen aan zee, of ergens op het platteland. De eerste graad gaat al drie nachten weg, de tweede graad een volledige schoolweek. De derde graad maakt een buitenlandse reis van meer dan een week. Afhankelijk van diverse factoren kan het zijn dat deze reizen in het begin, middenin of op het einde van het schooljaar vallen. Bij al deze uitstappen vragen we de steun van ouders om mee te gaan, te koken, activiteiten mee op te zetten enz.

9. Jaarthema

Het team kiest ieder jaar een pedagogisch jaarthema. Niet alleen de pedagogische studiedagen staan in het teken van dat jaarthema, maar doorheen het jaar zullen zij in hun werking dat onderwerp extra accentueren.